Blog#32
Gesmoord met liefde
Over liefde, over begrenzing, over boosheid als afbakening en levenskracht.
‘Ik ben ondermijnd en zelfs bedreigd door een collega. En mijn leidinggevende deed niks. Ik heb vaak bij hem aangeklopt maar hij wilde het niet horen.’ Hij klinkt boos maar vooral verdrietig. Een gevoel van onmacht lijkt de ruimte te vullen. De andere deelnemers lijken hun adem in te houden, zo stil is het.
Weggepest om wie je bent. Niet gezien worden in wat jij nodig hebt. Dat is pijnlijk. Alsof er geen plek is voor jou.
‘Welke plek had jij vroeger thuis, in jouw gezin?’, vraag ik hem. Ik zie dat het woord ‘plek’ hem raakt. Hij begint te vertellen.
‘Mijn ouders hadden vaak ruzie. Ik heb een jongere broer, die ging dan vaak gewoon buitenspelen. Weg uit de gespannen sfeer. Ik niet. Ik bleef binnen om de boel te sussen. Om mijn moeder uit te leggen wat mijn vader bedoelde en andersom.’ Hij recht zijn rug iets en komt naar voren zitten. In de toon van zijn stem klinkt het alsof het voor hem ook heel logisch was dat hij tussen zijn ouders in ging staan. Maar de verdrietige sluier voor zijn ogen blijft.
‘Wat deed jij nou het liefst als kind?’, vraag ik. Ik zie hem even nadenken en er komt een twinkeling in zijn ogen. ‘Muziek. Van muziek kom ik tot rust. Het is mijn uitlaatklep.’
Evensnel als hij kwam, zakt de twinkeling weer weg en zegt hij enigszins verbitterd: ‘Maar mijn ouders wilden niet dat ik van muziek mijn beroep zou maken. Dat was geen echt vak zeiden ze.’ Zijn blik is naar de grond gericht en zijn kaak verstrakt.
‘Hoe oud was je, toen je stopte met buitenspelen, om de sfeer thuis te fixen?’, vraag ik hem zacht.
Hij kijkt me weer aan en zegt: ‘Een jaar of zeven, acht misschien’.
‘Stel nou he, dat dat kleine jongetje hier nu binnen zou komen lopen. Wat zou je dan doen?’. Terwijl ik dit aan hem vraag, gaat onze blik richting de deur. De deur staat, toevallig of niet, nog op een kiertje. Tranen vullen zijn ogen, wanneer hij zegt: ‘Ik zou een arm om hem heen slaan, en echt naar hem luisteren.’
Ik herinner me dat ik hem de dag daarvoor binnen heb zien komen met een muziekkoffer. ‘Je hebt je viool bij je, toch?’, vraag ik. Zonder iets te zeggen staat hij op uit de kring en loopt met langzame passen naar de kamer waar zijn viool staat. Liefdevol pakt hij haar uit de koffer.
Uit de groep deelnemers kies ik iemand die ik voor hem op de grond laat zitten. ‘Dit is jouw kleine ik. Je mag spelen voor hem. Ter ere van het vrije kind in jou. Het vrije kind dat je ooit moest achterlaten.’
Hij kijkt zijn ‘kleine ik’ aan en begint te spelen. Met tranen in zijn ogen speelt hij een lief, speels, warm, geïmproviseerd stuk. Met alle aandacht voor dat kleine jongetje in het midden. De viool is het enige hoorbare in de ruimte, en de diepe klanken laten niemand ongeroerd.
Wanneer het stuk klaar is, komt er een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. ‘Ik maak vaak muziek in het park. Als kind stopte ik met buitenspelen. Maar nu ga ik alsnog, op mijn manier, buiten spelen met mijn viool.’
Het leven geeft veel herkansingen, in allerlei vormen.
Als jong kind kunnen we in een soort magische beweging besluiten dat wij er wel voor zullen zorgen dat het goed gaat thuis. En dat doen we met liefde, want de loyaliteit is groot. De prijs die je daarvoor betaalt ook. Het gaat vaak ten koste van het vrij spelende kind in onszelf. En dat wordt soms pijnlijk voelbaar in het volwassen leven. Waar je opnieuw niet gezien wordt in wat je eigenlijk nodig hebt. Zo herhaalt de geschiedenis zich steeds. Totdat we weer vastpakken wat we zo jong hebben verloren.